Kleinschalige korte keten boeren grijpen naast de geldpot

7 juni 2012

“Boeren investeren maar beter in Luxemburg of Vlaanderen” kopt Vilt in een artikel op 7 juni. Je mag echter geen kleine boer zijn die een hoevewinkel heeft, of die groente-abonnementen verkoopt. Die grijpen al te vaak naast de prijzenpot, zo blijkt uit de praktijk.

“Boeren investeren maar beter in Luxemburg of Vlaanderen” kopt Vilt in een artikel op 7 juni. Je mag echter geen kleine boer zijn die een hoevewinkel heeft, of die groente-abonnementen verkoopt. Die grijpen al te vaak naast de prijzenpot, zo blijkt uit de praktijk.

“Van acht Europese landen en regio’s ondersteunen Luxemburg en Vlaanderen hun landbouwers het best met investeringssteun”. Vilt concludeert dit uit de recentste studie van het Departement Landbouw en Visserij, die gisteren verscheen. Uit een recente bevraging bij de leden van BioForum Vlaanderen blijkt dat de studie bepaalde knelpunten over het hoofd ziet.

Deze investeringssteun (VLIF) hanteert een definitie van actieve landbouwer die korte keten-boeren benadeelt. Een “actieve landbouwer” mag niet meer dan 12.000 euro inkomsten halen uit niet-landbouwactiviteiten. Boeren die hun producten vermarkten via de korte keten, verkopen veelal ook producten van andere boeren, om tegemoet te komen aan het verwachtingspatroon van de consument. Die heeft immers behoefte aan een minimaal gediversifieerd aanbod. Helaas beschouwt Vlaanderen dit dan als handel en niet als landbouw, waardoor het plafond van 12.000 euro al snel wordt bereikt.

Deze boeren runnen een economisch leefbaar landbouwbedrijf. Zij ontwikkelen korte keten activiteiten en werken zo mee aan een leefbaar platteland. Deze boeren worden gediscrimineerd.

“De Vlaamse overheid voert geen coherent beleid. Enerzijds wil de overheid de korte keten en biodiversiteit steunen, anderzijds vloeit investeringssteun naar grootschalige landbouw die meestal aan monocultuur doet.” Aan het woord is Hilde Coucke, van het biodynamische bedrijf De Wassende Maan. “Wij verkopen onze producten rechtstreeks aan de consumenten, en kopen daarbij producten aan bij onze collega-bioboeren. We werken mee aan duurzame consumptie: minder voedselkilometers, minder verpakking, minder opslag. Beter voor de boer, beter voor de consument; beter voor het milieu en de maatschappij. Ons bedrijf is in volle evolutie, maar we kunnen geen beroep doen op VLIF-steun, omdat we zogenaamd teveel aan ‘handel’ doen. Het Vlaamse subsidiebeleid steunt vooral de landbouwindustrie, de duurzame kleinschalige land- en tuinbouw blijft vaak in de kou staan".

VLIF eist tevens een minimaal bedrijfsresultaat, afkomstig uit landbouwactiviteiten, nl. 50.000 euro per bedrijfsleider per jaar. Nochtans kan dit bedrijfsresultaat van jaar tot jaar sterk verschillen. Geen sinecure voor wie zijn landbouwbedrijf wil verbreden en hiervoor beroep wenst te doen op investeringsteun. Net in die beginjaren moet je veel kunnen investeren, maar dan staat je bedrijf nog niet helemaal op punt, en haal je dat minimaal bedrijfsresultaat nog niet of niet altijd.

Ook Jos De Clercq, biologisch vleesveehouder, heeft bedenkingen bij de VLIF-regeling. Hij werkt kleinschalig en streeft naar diversificatie. Dat gaat gepaard met meerdere investeringen, en hij doet graag beroep op tweedehands materiaal. “Hergebruik van materiaal is duurzaam, en maakt het haalbaar om te diversifiëren”, stelt hij. Helaas komt tweedehands niet in aanmerking voor VLIF steun, en grijpt ook hij naast de VLIF-prijzenpot.

Of boeren best in Vlaanderen investeren, is dan nog maar de vraag, concludeert BioForum Vlaanderen. Dit zal allicht het geval zijn voor de landbouwondernemer, die dure grootschalige investeringen doet om te specialiseren. Maar de agro-ecologische, multifunctionele boer, die streeft naar een optimaal contact met de consument, blijft helaas in de kou staan.

Auteur: Esmeralda Borgo - BioForum Vlaanderen

Lees hier de reactie van het kabinet Peeters op dit artikel.