Laat het stuiven

29 juli 2021

Dat bijen en andere bestuivers het al een tijd moeilijk hebben is niet nieuw. Over de oorzaken is al veel geschreven, maar wat kunnen we er aan doen? Dat wil het Europese project Beespoke onderzoeken. 

Afbeelding

Dit artikel verscheen eerder in Bio Actief 52. 

Naar schatting 75% van onze voeding wereldwijd is afhankelijk van bestuivers zoals bijen, zweefvliegen en andere insecten. Toch voelen deze nuttige insecten zich niet altijd welkom door de manier waarop we voeding produceren. VLM en Inagro zijn twee van de 16 partners in het Europese project Beespoke. Zij onderzoeken waar er nog winsten te halen vallen op het vlak van bestuiving.

VLM zet sowieso al jaren in op agrobiodiversiteit, aldus bedrijfsplanner Dirk Awouters: “Wij sluiten onder meer beheerovereenkomsten rond de aanleg van bloemenranden. De gebruikte bloemenmengeling komt meestal tegemoet aan de noden van de meer courante bijensoorten. De diverse samenstelling zorgt voor een nectaraanbod over een lange periode. Dat effect kan nog versterkt worden door de meerjarige bloemenstroken begin juli gedeeltelijk te maaien.”

Toch staan die bloemenranden wat ter discussie. Dat bevestigt ook Dieter Depraetere, onderzoeksleider Agromilieu bij Inagro: “Bloemenranden leveren niet altijd de langdurige positieve impact die men ervan verwacht. Positieve effecten zullen er altijd wel zijn – zo vormt de overvloed aan nectar en pollen een rijk aanbod voor honing- en solitaire bijen - maar vaak is dat effect maar tijdelijk en niet structureel. Bovendien weten we te weinig over de combinatie van bloemenranden en het gebruik van gewasbescherming. Akkerranden zouden soms neerslag hebben van pesticiden. Zonder een stevige basis zijn zulke bloemenranden dus eerder een vorm van greenwashing.” VLM probeert dat laatste alvast op te vangen door de bloemenranden te combineren met een beheerovereenkomst met grasstroken. Zo wordt er een buffer ingebouwd met de landbouwteelt. 
 

Door te werken op niveau van het landschap creëer je zowel een structureel aanbod aan nectar en pollen als nestgelegenheid, schuil- of overwinteringsplaatsen

Dieter Depraetere, Inagro

Hagen en bomen

Omdat biologische landbouwers geen chemische pesticiden gebruiken, zouden zij misschien wel baat hebben bij een bloemenrand. In de praktijk ziet Dirk Awouters relatief weinig bioboeren daarvoor een beheerovereenkomst afsluiten, al heeft dat naar zijn aanvoelen vooral met oppervlakte te maken: “Een bloemen- of grasstrook moet minimaal 6 meter breed  zijn voor de overeenkomst. Bioboeren werken vaak met kleinere percelen en dat op een meer geïntegreerde manier. Zo’n beheerovereenkomst is daarnaast ook een soort compensatie voor zeer intensieve akkerbouw. Dus hooguit biologische akkerbouwers zouden hier voordeel uit kunnen halen.” Door met kleinere percelen te werken en meer af te wisselen qua teelt, lijken bioboeren het al goed te doen. Dirk: “Voor bestuivers zijn het planten van heggen met bloeiende hagen en (solitaire) bomen een meer structurele aanpak, waar op lange termijn veel meer uit te halen valt. Het creëert een vast voedselaanbod en nestgelegenheid voor de bestuivers. Daarnaast zorgt het ook voor een beter klimaat voor de teelten: de heggen en bomen breken de wind, bieden luwte en gaan erosie tegen. Boeren kunnen VLIF-steun krijgen voor de aanplant van bomen en heggen. Onder het huidige PDPO kunnen ze ook een beheerovereenkomst afsluiten voor het onderhoud van heggen.”

Dieter Depraetere beaamt dat: “Door te werken op niveau van het landschap creëer je zowel een structureel aanbod aan nectar en pollen als nestgelegenheid, schuil- of overwinteringsplaatsen. Zo bouw je mee aan een wilde bijenpopulatie die op lange termijn voldoende zekerheid biedt op het vlak van bestuiving. Door zo samen te werken mét de natuur, is het in principe niet nodig om een beroep te doen op kunstmatige hommeldozen of metselbijen uit de koelkast. Ik snap dat die manier van werken meer zekerheid geeft, maar het koppelt biodiversiteit los van bestaande ecosysteemdiensten en legt druk op de bestaande populatie.” 
 

Afbeelding
hommel

Beespoke

Het Europese project Beespoke wordt pas in 2023 afgerond, maar Dirk en Dieter willen al wel vertellen wat er zoal onderzocht zal worden. Dirk: “Voor bestuivingsgevoelige teelten willen we onderzoeken welke bestuivers een belangrijke rol spelen. De volgende vraag is hoe we die gerichter kunnen ondersteunen met een geschikte soortkeuze van bloeiende planten voor in de bloemenrand en genoeg nestgelegenheid.” De metselbij is volgens Dirk een goed voorbeeld: “Dat is een goede bestuiver in de fruitteelt, maar omdat ze maar een korte periode actief zijn moet je zien dat de planten of bloemen die geschikt zijn als voedselbron op het juiste moment in bloei staan.”

Het onderzoek neemt ook de bestaande bloemenmengelingen onder de loep: welke bloemen trekken naast bestuivers ook andere nuttige insecten aan, die bijvoorbeeld een rol kunnen spelen in het bestrijden van plagen? En welke bloemen trekken verschillende soorten aan of net heel specifieke soorten? Dirk: “Een juiste bloemenmengeling kan helpen om kritische soorten te herintroduceren. Daarmee helpen we niet alleen de landbouw vooruit, maar ook de algemene biodiversiteit. In Diksmuide leggen we bijvoorbeeld bloemenranden (met rode klaver, luzerne,…) specifiek op maat van de grashommel.”

"Een juiste bloemenmengeling kan helpen om kritische soorten te herintroduceren. Daarmee helpen we niet alleen de landbouw vooruit, maar ook de algemene biodiversiteit."

Dirk Awouters - VLM

Soms is een omgeving al voldoende divers en hebben extra bloemen weinig meerwaarde. Maar misschien bestaat er wel een nood aan meer nestgelegenheid voor de bestuivers die een boer wil aantrekken? Ook dat wil Beespoke onderzoeken. 

Tot slot wordt er ook gekeken op teeltniveau. Dieter: “Daar kunnen we ook nog veel bijleren. We gaven vroeger vaak het advies om facelia en mosterd in te zaaien als groenbedekker en nectar- en pollenleverancier in het najaar. Die ontwikkelen zich snel en zorgen voor dracht in het najaar. Alleen is die najaarsdracht vooral interessant voor honingbijen, minder voor de solitaire. Sowieso is het nefast als een groenbedekker tijdens volle bloei wordt ondergeploegd, geklepeld of gemaaid.”

Ook bij de vlinderbloemigen vallen nog winsten te halen. “Die worden vaak geteeld in functie van eiwitten. De rantsoenwaarde van luzerne bijvoorbeeld is optimaal net voor de bloei en dus worden deze vlinderbloemigen meestal geoogst net voor ze kunnen bloeien. Misschien kan je door gefaseerd te maaien het beste van twee werelden krijgen. We onderzoeken de impact daarvan op de opbrengst. Er loopt o.a. onderzoek rond veldbonen, zonnekroon, luzerne en klavermixen. Ook bij het grazen zou je gefaseerd kunnen werken, zodat klavers meer tot bloei kunnen komen. Dat is extra winst voor de bestuivers.”